beschadiging van de elektronica aan boord te
vermijden (mogelijk met batterijen met een hoge
impedantie) is het NOODZAKELIJK dat men, indien de
motor van het voertuig niet begint te draaien, de starter
de cyclus van 5 seconden van start laat afsluiten.
De startfase kan onderscheiden worden door te kijken
naar de stroom in het display.
7. BESCHERMINGEN
De batterijlader is voorzien van een bescherming die ingrijpt
in geval van:
- overlading (excessieve stroomverdeling naar de batterij);
- over- en onderspanning (te hoge of te lage spanning van
batterij of van onmiddellijk opladen);
- kortsluiting (laadtangen in contact met elkaar);
- omkering van de polariteit op de klemmen van de batterij.
In de toestellen voorzien van zekeringen is het verplicht, in
geval van een vervanging, analoge reserve onderdelen te
gebruiken die dezelfde waarde van nominale stroom
hebben.
_________________________________________________________________________________
OPGELET: Het vervangen van een zekering met
stroomwaarden die verschillen van diegene die
aangeduid staan op de plaat kan schade aan personen
of dingen berokkenen. Omwille van dezelfde reden
moet men strikt vermijden de zekering te vervangen
met bruggen van koper of van een ander materiaal.
De operatie van het vervangen van de zekering moet
altijd uitgevoerd worden met de voedingskabel
LOSGEKOPPELD van het net.
_________________________________________________________________________________
(F) Alarmen en beschermingen
Het toestel is beschermd tegen overbelastingen,
kortsluitingen en omkering van polariteit middels interne
elektronische beschermingen.
De 3 leds (F) duiden verschillende signaleringen van
beschermingen en slechte werkingen aan.
= Ingreep van de thermostatische bescherming (altijd
aan).
= Niet beschermde modaliteit (knipper t).
= Afwezigheid van batterijspanning (altijd aan).
= Aanwezigheid kortsluiting in batterij (altijd aan).
= Onmiddellijke overspanning (knippert).
= De omkering van polariteit aanduiden (altijd aan).
= Lage spanning in batterij (knipper t).
Alle alarmcondities verhinderen de stroomverdeling
naar de batterij, uitgezonderd de hulpvoeder die
onafhankelijke beschermingen heeft.
Nadat er "5 minuten" verstreken zijn na de ingreep van het
alarm van over- en onderspanning, wordt de batterijlader
automatisch hersteld, ofwel kan men de herstelling utvoeren
met de toets "O".
8. NUTTIGE RAADGEVINGEN
- De positieve en negatieve klemmen schoonmaken en
hierbij mogelijke incrustaties van oxyde elimineren
zodanig dat men een goed contact van de tangen kan
garanderen.
- Absoluut vermijden de twee tangen met elkaar in contact
te brengen wanneer de batterijlader is ingevoerd in het
net; de tangen niet aan- noch loskoppelen van de batterij
met de batterijlader in werking.
- Indien de batterij waarmee men deze batterijlader wenst
te gebruiken permanent ingevoerd is op een voertuig,
moet men ook de gebruiks- of onderhoudshandleiding
van het voertuig raadplegen voor wat betreft de
FIG.B-C
"ELEKTRISCHE INSTALLA TIE" of het "ONDERHOUD".
Voordat men overgaat tot het opladen, bij voorkeur de
positieve kabel die deel uitmaakt van de elektrische
installatie van het voertuig, loskoppelen. Hetzelfde geldt
voor de aanwijzingen gegeven door de fabrikant van de
batterijen.
- De batterijspanning controleren voordat men de batterij
aansluit op de batterijlader, men herinnert eraan dat 3
doppen op een batterij van 6Volt duiden, 6 doppen op
12Volt. In sommige gevallen kunnen er twee batterijen
van 12Volt zijn, in dit geval vraagt men eem spanning van
24Volt om beide accumulators op te laden. Controleren of
ze dezelfde karakteristieken hebben teneinde een
onevenwicht bij het opladen te voorkomen.
- Voordat men een startoperatie uitvoert, moet men altijd
een snelle oplading uitvoeren van enkele minuten: dit zal
de startstroom beperken, en hierbij ook minder stroom
van het net vereisen.
- In de startfase moet men de cycli van ON en OFF van de
batterijlader respecteren.
- De startoperaties moeten absoluut worden uitgevoerd
met een goed aangesloten batterij.
- De oplading uitvoeren op goed verluchte plaatsen
teneinde ophopingen van gas te voorkomen.
_____________( DK )_____________
INSTRUKTIONSMANUAL
G I V A G T : L Æ S B RU G E R V E J L E D N I N G E N
OMHYGGELIGT IGENNEM, FØR BATTERILADEN
TAGES I BRUG.
1. ALMENE SIKKERHEDSREGLER
FOR ANVENDELSE AF DENNE
BATTERILADER
- Under opladningen dannes der eksplosive gasser.
Eliminér risici for flamme og gnistdannelse. RYG IKKE!
- Placér batterierne på et sted med god udluftning, mens
de oplades.
- Anvend udelukkende batteriladeren indendørs på steder
med tilstrækkelig ventilation: UDSÆT IKKE
OPLADEREN FOR REGN OG SNE!
- Træk altid først stikket ud af stikkontakten, før
ladekablerne sluttes til eller tages af batteriet.
- Batteriladen må ikke være i funktion, mens tængerne
sluttes til eller tages af batteriet.
- Anvend aldrig batteriladeren inde i et køretøj eller i
motorhjelmen.
- Forsyningsledningen må udelukkende udskiftes med et
originalt.
- Batteriladeren må ikke anvendes til opladning af batterier,
der ikke kan genoplades.
- Kontrollér om netspændingen, som er til rådighed,
stemmer overens med angivelserne på batteriladerens
typeskilt.
- For at undgå at beskadige køretøjernes elektronik under
opladning og igangsætning med batteriladeren, skal man
læse, opbevare og nøje overholde anvisningerne fra det
- 29 -