7 Werking
7.9
Controlefuncties
Controleschakelaar
Wanneer de schakelaar op "I" is geplaatst, controleert het systeem de snelheid van
de motor afhankelijk van de aangesloten elektrische lading, zodat het
brandstofverbruik wordt verbeterd en minder lawaai wordt geproduceerd. Wanneer
de schakelaar op "O" is geplaatst, draait de motor altijd aan 4500 t/min
onafhankelijk van de elektrische lading.
OPMERKING: De controleschakelaar voor de energiebesparing moet op "O" staan
wanneer elektrische ladingen worden gebruikt die hoge piekstromen nodig
hebben, zoals compressoren, pompen of koelsystemen.
LED-controlelampen
Deze signaleren de regelmatige werking of een storing van de unit.
Controlelamp uitgang (groen)
Deze controlelamp licht op wanneer de motor wordt gestart en energie produceert.
Alarm overbelasting (rood)
Deze controlelamp licht op wanneer een van de verbonden systemen meer
energie verbruikt dan wordt geproduceerd door de generator, wanneer de
bedieningsunit van de inverter oververhit, of wanneer de spanning AC op de
uitgang boven de nominale waarde stijgt. De controlelamp van de uitgang (groen)
gaat uit en die van de overbelasting (rood) blijft aan, maar de motor blijft draaien.
Wanneer de controlelamp van de overbelasting oplicht en de generator stopt met
werken, moet als volgt gehandeld worden:
1.
Schakel alle aangesloten elektrische systemen uit, en leg de motor stil.
2.
Verlaag het totale vermogen van de aangesloten elektrische systemen onder
de nominale waarde.
3.
Controleer dat geen verstoppingen aanwezig zijn in de inlaten voor de
koeling en rondom de bedieningsunit. Verwijder ze indien noodzakelijk.
4.
Start de motor opnieuw nadat de controles zijn uitgevoerd.
Controleschakelaar
26